Oerbos Hooidelta

Het verbeteren van de grond: greppels bieden uitkomst Goed hooi was schaars in de polder. De enkele percelen die als klasse 1 of 2 werden geregistreerd in het boek van de inspecteur van het Kadaster lagen doorgaans langs de zuidelijke randen van de polder op die plek waar in het verleden het zoete IJsselwater haar sporen heeft nagelaten (zie hiervoor de bodemkaart met overslaggronden op pag. ). Zo lag er ten noordwesten van Zwolle aan de rand van de polder Mastenbroek een hooilandcomplex met percelen hooiland die tot de eerste of tweede klasse werden gerekend. De hooilanden die van nature minder hooi gaven werden soms door de boeren verbeterd doordat zij in de grond gingen investeren. Vaak gebeurde dat op kleine schaal. Zo bedacht Jan Egberts vanuit zijn op een belt gelegen boerderij in het buurschap Oosterholt dat hij met het nodige graafwerk ruim zeven hectare hooiland in het Middenblok zou kunnen verbeteren. In de Apostillen van de stad Kampen lezen we over Jan “dat hij wel genegen zoude zijn, deze kamp, welke bijna een moeras gelijkt, te verbeteren.” 146 Mastenbroeker Gerrit Harms was in het jaar 1771 bereid om te investeren en had zijn oog laten vallen op een perceel hooiland in het Hoogbrug Slag. Wanneer hij dat perceel betimmerde en tot koeweide zou maken hoefde het stuk land naar eigen zeggen “ niet meer uitgemergeld te worden met jaarlijks hooien. ” Het verbeteren van kleine stukjes land hield in dat de eigenaar of huurder de sloten uit ging diepen en meer mest op de landerijen bracht. Meestal waren dergelijke initiatieven of aanzetten daartoe bescheiden van omvang. Meneer I.A. van Roijen -bestuurder van beroep- had in het jaar 1842 echter veel grotere plannen om de opbrengsten binnen Mastenbroek te vergroten door het jaarlijks onder water zetten van de gehele polder. Meer daarover in het volgende hoofdstuk. Verreweg de meeste hooilanden binnen de polder Mastenbroek waren van een matige kwaliteit. Dat wil zeggen dat ze door de inspecteur van het Kadaster werden gerekend tot de vierde en de vijfde belastingklasse. Erg verrassend is dat niet wanneer je de bodemkaart erbij pakt. Zo’n tachtig procent van de ondergrond wordt gekenmerkt door weideveen- en koopveengronden. Het is een bodem die is opgebouwd uit een toplaag van kalkloze zware tot zeer zware klei van

zo’n 20 tot 25 centimeter dik. Door gebrek aan bemesting zal deze klei vóór de komst van de kunstmest weinig vruchtbaar zijn geweest. Onder het kleipakket vinden we een laag riet- of zeggeveen terug. Het zijn de restanten van het voormalige laagveenmoeras, dat door overstromingen vanuit de IJssel en vanuit de Zuiderzee vanaf de derde eeuw na Christus bedekt is geraakt met een laagje klei. 147 Gezien de toestand van de bodem en het hoge grondwaterpeil (grondwatertrap IIb) mogen we verwachten dat grote delen van het natte schrale hooiland in de polder Mastenbroek in het voorjaar paars kleurde van de bloeiende Spaanse ruiter, terwijl er in het najaar een blauwe gloed over de velden lag door de massaal bloeiende Blauwe knoop. Het zijn kenmerkende soorten voor het blauwgrasland dat hier tot nog geen honderd jaar terug in grote delen van de polder terug kon worden gevonden. Om de natte gronden nog enigszins geschikt te maken voor beweiding en hooibouw werden er op een onderlinge afstand van zo’n 20 tot 30 meter vele greppels gegraven in de klei-op-veengronden. De vaak eeuwenoude greppelstructuren zijn binnen de polder in een groot aantal percelen bewaard gebleven. Toch zijn er afgaande op de hoogtekaart ook veel greppels verdwenen uit het landschap. Ook zijn de hoogteverschillen door egalisatie minder sprekend geworden. Het oude boerengreppeltjeland was rijk aan reliëf, waarbij vooral de dicht op elkaar liggende greppels en de daartussen liggende grond in bolle ruggen het nodige accent verschafte aan het landschap. Het aanleggen en onderhouden van de greppels was bewerkelijk, waarbij het zwaarste werk doorgaans door een paard werd verricht. Met het hoofd naar beneden gericht stapte het dier gestaag over de kleiige bodem, gevolgd door een greppelploeg. De vrijkomende grond werd vervolgens op het land gebracht. Onderhoud van de greppels gebeurde ieder jaar in de herfst of in de winter door de boer of door de knecht, die gewapend met een snijzeis in een lijn liep langs de greppel en in twee werkgangen steeds een v- vormig stuk grond uit de greppel nam. Ook deze grond werd op de strook grond tussen de twee greppels gebracht, zodat het overtollige water vanaf het hoogste punt af kon stromen richting de greppels. Het greppelsysteemwaterde af op de naastgelegen sloten, die op hun beurt

146 Van Hulzen 2017.

147 Eilander 1990, 62.

86

Made with FlippingBook Annual report